Het tuindorp werd in 1914 en de jaren daarvoor gebouwd. Sommigen zeggen 1912, anderen weer 1915, maar door de boot genomen, give and take a year, is het tuindorp bijna 100 jaar oud.
Vroeger werd het gebouwd voor de werknemers van de RDM en er is aan bijna alles gedacht. In het begin kwamen er mensen te wonen uit allerlei streken, ook provincialen die op de groeiende stad afkwamen. Zij waren gewend aan een eigen deur en een eigen tuin en zij kregen die ook. De architectuur was divers, er werden verschillende kerken voor de verschillende gezindtes gebouwd, verschillende scholen voor de kinderen, er werd een gemeenschappelijk vermaakcentrum gemaakt en er was zelfs een jong gezellenhuis waar men kon samenkomen voor vertier en vermaak.
Verder werd er gezorgd voor pleintjes, perkjes en boompjes, grotere huizen aan het gouden randje (zoals de Courzandseweg werd genoemd) voor het hogere personeel en voor de dokter. De Courzandseweg was tevens de rand van het dorp aan de westkant, met als natuurlijke grens de Koedood, een veen riviertje dat uitmondde in de Nieuwe Maas.
Aan de noordkant van het dorp was de muur die gevormd werd door de kantoren van de RDM, waar iedereen die in het dorp woonde, werkte. Men ging dan door de blauwe poort massaal het werfterrein op en het zal overdag veel herrie gegeven hebben op het dorp, maar hé, dat was nu eenmaal zo, daar werkte iedereen en iedereen verdiende daar zijn boterham, dus niet zeuren. De huisvrouwen kenden de codes: zwart als er een kolenbootje gelos werd bij Frsans Swarttouw, rood gold voor erts en vliegroest, graan kon ook zo zijn speciale stof doen overwaaien en als ze gingen straln op "de Fabriek" moest ook was naar binnen. Maar hé, zo was dat nu eenmaal.
Dit gaf een speciale sfeer natuurlijk. Iedereen kende iedereen en reken maar niet dat je de kans kreeg om de tuin te verwaarlozen of om het stoepje ongeboend te laten. Zeiden de buren er niets van, dan deed de baas dat wel!
Hoe dichter bij de muur, des te kleiner waren de woningen. Daar woonde het gewone volk die het moesten doen met alle dagelijkse passanten voor de deur die naar hun werk gingen en aan het eind van de dag weer naar huis gingen. Die moesten het doen met de ronkende stinkende diesels van de talloze bussen die personeel kwamen halen en brengen in latere jaren, want er werkte meer mensen op de werf dan dat Heijplaat kon bergen.
Maar de bakker kwam aan de deur, de dokter woonde in het dorp en voor hen die de weelde konden dragen, was het aangenaam wonen voor die tijd. Dit was iets anders dan de voor-tussen-achterwoningen die in grote getale in Rotterdam gebouwd zijn om de grote stroom aan arbeiders te kunnen huisvesten die naar Rotterdam kwamen om hun boterham te verdienen.