De opkomst en neergang van een bijzonder bedrijf

Op 23 januari 1902 werd N.V. "De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij" (afgekort "de RDM"  en later in de volksmond "de Droogdok" genoemd) opgericht, die toen in feite al een  voorgeschiedenis van 46 jaar had. De RDM was de opvolger van de reeds in 1856 opgerichte firma  "Duncan Christie & Zn", die - via de firma's "Christie & Nolet", "Christie, Nolet & De Kuyper", de "Societe Anonyme des Fondries et Constructions Navales de la Meuse", de maatschappijen  "De Maas" en "Schoonderlo" en weer "De Maas" - uiteindelijk uitmondde in "de RDM".
Nadat de pas opgerichte RDM gedwongen moest verhuizen van de locatie Schoonderlo, een  onderdeel van Delfshaven aan de Noordelijke Maasoever, vestigde deze zich nog in datzelfde   jaar in het dichtbij gelegen Heijplaat, aan de Zuidelijke Maasoever. De scheepswerf floreerde daar en op het werf terrein werd vrijwel constant gesaneerd, verbouwd en nieuw gebouwd. Havens  werden gegraven en uitgediept en de grond werd gebruikt om het terrein te verhogen, teneinde de voeten bij hoogwater droog te houden. De gebouwen daar dateren uit verschillende perioden na 1902. De RDM onderhield een eigen veerdienst vanaf Schiemond voor haar werknemers,  maar vanwege de afstand en het groeiende personeelsbestand werd in 1914 gestart met de bouw  van het tuindorp Heijplaat.

Op 14 januari 1925 nam de RDM de in 1914 opgerichte "Scheepsbouw Maatschappij Nieuwe Waterweg" (afgekort "de NW"), aan de overkant van de Maas in Schiedam, over. Deze werf was in financiële moeilijkheden gekomen en beschikte - mèt geschoold personeel - over 3 droogdokken met een capaciteit tot 10.000 ton en over 7 scheepsbouw hellingen waar schepen  tot 12.000 ton gebouwd konden worden. Daarmee verdubbelde de RDM haar aantal droogdokken.  De reparatie afdeling was steeds een belangrijke financiële pijler van de RDM. In het jaar 1926 werd bij het vergrote bedrijf zelfs het fenomenale aantal van 1401 schepen gedokt en gerepareerd, een gemiddelde van bijna 4 gerepareerde schepen per dag!
De NW had - tot haar overname in 1925 door de RDM - 135 schepen afgeleverd, in aanbouw of in portefeuille. Bij de RDM zat op dat moment bouw nummer 99 als laatste in de planning.De NW stopte daarna met haar eigen nummering en samen gingen ze als één RDM-bedrijf verder met RDM-nr 136. De nog "lege" toekomstige RDM-nrs 100 t/m 135 werden opgevuld met de gelijke NW-nrs van vóór en tijdens de overname. Een gerenommeerd hoogleraar, met het werf bedrijf in zijn portefeuille, schreef me in 2008 - na mijn aanvankelijke scepsis in deze desgevraagd hierover: "Dat deze NW-schepen na de overname RDM-nummers kregen was niets bijzonders. Die bouw nummers waren alle NW-schepen van voor de overname. Die  telden ze rap mee, want dat stond goed tegenover de buitenwereld. De tent was toch overgenomen! Dus ook de bouw nummers van de NW.".

In 1938 kochten de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij en de Dok en Werf Maatschappij Wilton-Fijenoord samen de aandelen van de Machinefabriek en Scheepswerf  P. Smit Jr. In 1968 werd het door fusies een volle dochter van de RDM. Dit bedrijf bleef echter gewoon onder haar eigen naam voortbestaan. Na het RSV debacle in 1983 werd het in 1985 verkocht  aan M.N.O. Vervat en in 1987 failliet verklaard.
Tot de Tweede Wereldoorlog verviervoudigde de omvang van het RDM terrein zich tot circa 40 ha. De RDM werd dan ook één van de grootste scheepswerven van Europa, met gedenkwaardige nieuwbouw resultaten zoals de "Simon Bolivar" (1926), de "Nieuw Amsterdam" (1938),  de kruiser "De Zeven Provinciën" (1950), de "Rotterdam" (1959) en de "Cunard Adventurer" (1971). Ook werden er vele complexe onderzeeboten gebouwd; in totaal zelfs 16 stuks. Ondanks deze nieuwbouw, bleef de reparatie afdeling echter een zéér belangrijke financiële pijler van het bedrijf.
Héél opmerkelijk is dat over de bouwactiviteiten van de RDM gedurende de Tweede Wereldoorlog  weinig in de hier geraadpleegde literatuur en op het Internet te vinden is. In het boek  "Een Halve Eeuw Droogdok, 1902–1952" - in 1952 uitgegeven door de RDM ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan - komen de voor de Duitse bezetter gebouwde schepen   (32 uitgegeven bouw nummers!) zelfs niet in de bouw lijst voor! Was dit (valse) schaamte van de werf, zo vlak na de oorlog? Dat was echt niet nodig, want de RDM heeft m.i. de Duitse bezetter behoorlijk tegengewerkt. Evert van der Schee noemt deze nieuwbouw in 1998 echter wel in de bouw lijst achter in zijn boek "Rotterdamsche Droogdok Maatschappij". Het schrijven van een boek met als titel "De Nederlandse Scheepsbouw in de Tweede Wereldoorlog" zou een uitdaging voor geschiedkundigen kunnen zijn!

Na aanvankelijk zeer gunstige na-oorlogse jaren kwam de Nederlandse scheepsbouw in  het begin van de 60-er jaren in de problemen. De RDM ging zich vanaf die tijd - met ruim 4000 werknemers - meer toeleggen op de defensie industrie, maar had ook opdrachten uit de  offshore- en de energiesector. Even had de RDM daarna zelfs meer dan 7000 (!) werknemers in dienst.
Mede gedwongen door de politiek, ging het bedrijf in 1971 - na verschillende fusies - op in het Rijn-Schelde-Verolme (RSV) concern.
Ondanks aanvankelijke overheidssteun werden de problemen echter steeds groter. Uiteindelijk werd de RSV (en daarmee ook de RDM) op 6 april 1983 failliet verklaard. Van de toen nog ruim  3000 RDM-ers werden er bijna 1400 ontslagen, waarvan ruim 800 (!) in het kleine Heijplaat. Naar het aantal ontslagen bij de toeleveranciers kan men alleen maar gissen. Een heel triest einde, maar toch ... ... heel veel mensen hebben jaren lang hun boterham bij of door dit bedrijf kunnen  verdienen.

wilt u meer weten over de RDM werf?

zie de website van Johan Journée

Het RDM terrein is tegenwoordig eigendom van het Havenbedrijf Rotterdam. De kades en de kantoren zijn voor veel geld opgeknapt. Het hergebruik is natuurlijk duurzaam en innovatief en geeft mede vorm aan de groei van het kenniscentrum wat zich daar aan het ontwikkelen is. Daarnaast heeft men door hergebruik van het hele RDM complex een peperdure bodemsanering voorkomen. Die had nodig geweest als de bestemming van het terrein echt had veranderend in woonbestemming hetgeen in eerste instantie de bedoeling was binnen de plannen van de gebiedsherstructurering.

Het hele RDM terrein heeft nu niet zoveel meer van de werf van vroeger. Er zijn nog wel maritieme activiteiten. De Firma Franklin zit in de dienstverlening aan de off shore, de firma Bonn en Mees meert de Matadors af in de Heijsehaven en af en toe wordt er weer een dag geslepen en gelast aan afgemeerde schepen en weerklinkt als vanouds de herrie die gemaakt wordt met het bewerken van ijzer in de Heijsehaven. Verder is het vooral het gebrom van generatoren die over het dorp klinkt, maar verder herinnert nog weinig aan de tijd van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij. Grote gedeeltes van het terrein bruisen weer van de activiteiten, dat wel, maar het heeft niet allemaal meer met scheepsbouw en -reparatie te maken.

In de dokhaven zijn zelfs de vage contouren van roestige staketsels die herinneren aan de tijd van de werf aan het verdwijnen. De loodsen worden hergebruikt door de RDM Campus en andere innovatieve bedrijven en bedrijfjes die zich vestiging op het complex. De onderzeeboot loods is een evenementenhal.