Heijsehaven

luchtopname 2014. links de werkhaven, rechts de Heijsehaven

Voor actuele activiteiten in de Heijsehaven klik hier, schuif een beetje op het getoonde kaartje en u kunt zien wat er op dit moment in de Heijsehaven gebeurd.
Mooi sfeerplaatje gemaakt door TUNDRA387 in 2014 met drone klik hier
in 5 minuut 22 het onstaan en ontwikkeling van de Heijsehaven in kaart gebracht klik hier

GESCHIEDENIS OUDHEID

De Heijsehaven kent een lange geschiedenis. In „Gerrit Manheer’s Gepriviligeerde Almanak van 1788″ wordt onder de rubriek Veerschuiten vermeld, dat „de veerschepen van Roon, Pernis, Poortugaal, Saarloos, Hoogvliet, Spijkenis en de Hey alle Vrijdagen ’s morgens voor yder plaats op deze stad en ’s namiddags terug varen.” Blijkens een oorkonde uit 1356 bestond er toen al een veer tussen de linker en de rechter Maasoever ter hoogte van Schiedam en de Hey.
Met enig speur en zoekwerk konden we meer vinden over de geschiedenis van de Heijsehaven en Courzand. U vindt dat hele verhaal verderop in dit bericht.

GESCHIEDENIS RECENT

Voordat de RDM en Heijplaat werden gebouwd langs de zuidoever van de Nieuwe Maas, was er in het begin van de 20ste eeuw op deze plek de Koedood, een klein afwater riviertje uit de polders dat uitliep in de Maas, met daaromheen de Gorzen en de Buitengorzen in binnen- en buitendijks rivierenlandschap, waarschijnlijk zo genoemd door de aanwezigheid van gorzen, een zangvogeltje dat daar leefde. In de rivier waren wat slikken en op een zandplaat ten oosten van de Koedood stond boerderij Courzand. Een stuk landinwaarts lag buurtschap de Heij aan de Heijsedijk, toen de verbindingsweg tussen Pernis en Charlois.

kaart 1902

Verder zien we iets naar het oosten van Courzand de Hoogenoordsche Gracht. Deze werd voorheen de Handelshaven genoemd en is gegraven rond 1893. Je zou dit de voorloper van de Waalhaven kunnen noemen.
Terug naar de Heijsehaven. Als we de kaart uitvergroten zien we tussen de gorzen een watertje lopen. Dat heette het Heijdse Gat, dan wordt nu duidelijk waar de naam Heijse Haven vandaan komt.

1892

In 1911 zien we de eerste tekenen van de RDM op de landkaarten verschijnen. Duidelijk is te zien hoe de werf in het buitendijks gebied gebouwd wordt en dat de Dokhaven zijn vorm heeft. Van de Heijsehaven is hier nog niets te zien, men kan het nog doen met de Dokhaven.

1911

In de jaren daarna is er in heel Rotterdam dringend behoefte aan meer havencapaciteit. Aan de overkant zien we het begin van het Vierhavengebied aangelegd worden, de Keile haven, de Lek – en de IJsselhaven en ook op de zuid oever begint met ruimte te maken. Er wordt een begin gemaakt met de Waalhaven en ook de RDM zit om ruimte verlegen en legt in de Buitengorzen havenbekkens aan die ongetwijfeld gebruikt zijn als balkengat en wellicht ligplaats voor schepen die wachtte op reparatie of onderhoud. Een balkengat is een ondiepe watergang, waarin boomstammen wordt bewaard totdat deze verder kunnen worden verwerkt. Vroeger werd hout langdurig in een balkengat gewaterd en daarna gedroogd. Dankzij dit proces was het uitgewerkt, waardoor de balken en planken die ervan werden gezaagd recht bleven. Dit proces van wateren kon meerdere jaren duren. Boomstammen van de lichtere houtsoorten bleven drijven, maar zwaardere houtsoorten zoals eiken zonken naar de bodem. Het was dus wel zaak het balkengat niet te diep te maken, of deze boomstammen met een touw of ketting vast te leggen.

1917

In de jaren 30 van de vorige eeuw zien we veel veranderen in het gebied. Er is wereldwijd crisis en er worden veel werkeloosheidsprojecten uitgevoerd, waaronder uitbreiding van de Waalhaven en de bouw van de Nieuw Amsterdam op de scheepwerf RDM, verdere uitbreiding van de werf en de Quarantaine Inrichting wordt verplaatst. De huidige Heijsehaven begint vorm te krijgen.

1940

Dan breekt de oorlog uit. Heijplaat/RDM had in die tijd een dubbele rol. De werf bleef draaien, maar nu voor de oorlogsmachine van de Duitsers. Er is een boek verschenen over het verzet in die tijd, want natuurlijk werd er verzet gepleegd. Het boek heet “Heijplaat in Verzet” en verkrijgbaar bij Bol.com en bij stichting Archief Historisch Heijplaat.
DE oorlog is van grote invloeg geweest op de onwikkeling van zowel de Heijsehaven als de Werkhaven.

De situatie zoals zij die aantroffen voldeed niet, dus zijn de Duitsers voortvarend aan het werk gegaan en hebben de boel aangepast naar hun wensen.

1941

In 1941 zien we de Heijsehaven groter worden, de Werkhaven wordt geboren en op de RDM zien we uitbreidingen met hallen en loodsen.

Bijgaande foto is in 1943 gemaakt vanuit een verkenningsvliegtuig of een bommenwerper. Rechtsonder is duidelijk de Werkhaven te en de westkant van de Heijsehaven.

Na de oorlog moest er eerst veel hersteld worden. De Duitsers hebben veel schade aangericht. Voordat ze vertrokken hebben ze diverse zaken opgeblazen en de herstelwerkzaamheden hebben wel een paar jaar geduurd, maar in de jaren ’50 kwam de haven van Rotterdam weer goed op gang. De haven speelde een belangrijke rol voor aanvoer en doorvoer van hulp goederen voor de wederopbouw. Als we naar de eind jaren 50 kijken was de zaak weer volop in bedrijf. Op de werf liep alles weer op rolletjes.

Het riviertje de Koedood dat ten westen langs de Courzandseweg liep, mondde uit in de Heijsehaven. Lange tijd was dat ook de grens van Heijplaat. De Courzandseweg werd het Gouden Randje genoemd. Dat kwam ten eerste omdat daar, samen met de Koedood, de grens was van het dorp. Ten tweede werd het het Gouden Randje genoemd omdat daar het hogere personeel gehuisvest was.
Dat randje zijn hield op toen het na oorlogse dorp werd gebouwd. De Koedood werd gedempt, er kwam een groenstrook voor in de plaats en daarachter verrees het na oorlogse dorp, met 270 woningen een giga uitbreiding voor het dorp. Het na oorlogse dorp grensde aan noordkant aan de Heijsehaven.

De Heijsehaven werd in die tijd gebruikt als afbouw haven van de RDM en het terrein recht onder bij de haven werd gebruikt als “platensorteerterrein”. Daar werd het ijzer aangeleverd dat nodig was op de werf. De kade en haven waren alleen bereikbaar via het RDM terrein. De kade lag verstopt achter een grijze betonnen schutting en een hekwerk langs de Heijse kade.

ss Rotterdam in dok in de Heijsehaven
1963

Na de sluiting van de RDM werf in begin jaren ’90, lag de haven er lang verlaten en verloren bij. De haven werd incidenteel gebruikt als ligplaats voor een verloren olieplatform dat reparaties moest verrichten en dat soort zaken. Pas toen 10 jaar later de herstructurering op gang kwam, werd de haven weer interessant.

foto boulevard Heijsekade 2005

De betonnen schutting werd in eerste instantie gedeeltelijk, later helemaal afgebroken. Er werden bankjes geplaatst op de kade en er kwam een steiger voor de watertaxi. Er werden weer mooie toekomstplannen gemaakt zoals we kunnen lezen op http://sync.nl/drijvende-woonwijk-in-zicht/2:

DRIJVENDE WOONWIJK IN ZICHT

……”dat de voorhoede groter is, blijkt ook uit de inschrijving van tachtig bedrijven voor een plaats op het drijvende werkeiland in de Heijsehaven. Op de drijfconstructie ter grootte van een half voetbalveld komen 29 werkunits van verschillende grootte. Volgens een woordvoerder van de opdrachtgever Woonbron ligt het ontwerp met prijsopgave klaar. “Het wachten is op overeenstemming met het Havenbedrijf over liggeld en dan kan worden aanbesteed. Als we daar dit najaar uit zijn, ligt het werkeiland er in 2009.”

Heijsehaven 2005

FLOATING COMMUNITIES:

Volgens Stadshavens moest je binnen afzienbare tijd een woning kunnen kopen in een drijvende wijk. “Een individueel vrij drijvend huis ligt niet voor de hand, omdat toch wel met enige waterdynamiek rekening moet worden gehouden. Het normale verschil tussen eb en vloed is 1,7 meter, maar dat kan afhankelijk van de wind eenvoudig oplopen tot drie meter. Grotere drijvende eenheden zijn stabieler en liggen dus meer voor de hand. Uiteraard wordt de kracht van het water niet onderschat en wordt veel aandacht geschonken aan de veiligheidssituatie”…….
Op het voormalige platensorteerterrein zou een voorzieningencluster komen voor het dorp en voor de het RDM terrein.

Ook voor de Heijsekade waren er vooruitstrevende ideeën.

tekening gemaakt tijdens brandingsessie 2005

De plannen wijzigden echter om de klip klap en de samenwerking tussen stakeholders als Woonbron en het Havenbedrijf was ver te zoeken. Omdat de voortgang van de herstructurering van het dorp niet zo soepel verliep als oorspronkelijk de bedoeling was, koos het Havenbedrijf eieren voor zijn geld en trok zijn eigen plan. Op een gegeven moment zag het Havenbedrijf Rotterdam kans de meters kade en grond van het voormalig platensorteerterrein te verhuren, hetgeen eigenlijk één van de corebusiness is van het Havenbedrijf. Zodoende kreeg de Heijsehaven een bestemming die hoort bij een haven: maritieme dienstverlening. Aan de westkant van de haven werden wachtplaatsen voor binnenvaart gerealiseerd, het oude Dokkantoor werd omgetoverd tot een maritiem trainingscentrum en op het voormalige platensorteerterrein werd een opslagloods gebouw die tevens een “testbaan” is voor het testen van kabels die in de kranen van drijvende bokken gebruikt worden. Daar is nu Condor gevestigd. Daarnaast is de plek waar Bonn en Mees zijn drijvende bokken de Matador 1, 2 en 3 parkeert en in oude scheepsbouwloods die helemaal opgeknapt is, heeft Franklin zijn Nederlandse vestiging ondergebracht.

Heijsehaven 2019

Op de kade zijn nooit de kleine bedrijfjes gekomen uit het oorspronkelijk plan. De bedoeling daarmee was om weer havenkades te creëren waar de gezellige bedrijvigheid die vroeger eigen was op vele kades weer zou herleven. Hiervoor in de plaats zijn keurige rijtjes koopwoningen gekomen, nul op de meter maar weinig gezellige bedrijvigheid, wel met een mooi uitzicht.

2019

Uit de oude doos is dit document opgevist, waarin staat beschreven wordt hoe de zaak in elkaar steekt en wie welke bijdrage heeft geleverd rond de ontwikkeling van o.a. de Heijse Haven. Het is zoveel mogelijk op de oorspronkelijke manier weergegeven

COURZAND EN DE VOORMALIGE HEYSCHE HAVEN

DOOR H. DONKERSLOOT

Toen bij de wet van 1 December 1917 (Staatsblad N®. 667) het algemeen belang erkend werd van onteigening van voor de uitbreiding van Rotterdam nodige percelen, behoorde hiertoe ook de onder Pernis ressorteerende Heysche haven.

De buurt de „De Heye voor Poortugaal” komt reeds in 1447 voor. Op een kaart van het jaar 1579 (het gemeente-archief) zien we een klein bochtig watertje, dat de heerlijkheid ’s Gravenambacht of „De Hye” met de Maas verbindt en den naam „Haven van de Hye” voert. Waarschijnlijk diende het voor de uitwatering van den polder Kiessate (kiesheid); met de latere Heysche haven had het niets te maken. Wij zien op deze kaart reeds den dam geteekend over den Koedood, die een deel uitmaakte van den Heyschedijk, maar toen blijkbaar Nieuwendijk heette en den Robbenoordschen met den Carvelschen verbond. Van de plaat Courzand is op deze kaart nog geen spoor te ontdekken, evenmin als van de Heysche- of Koedoodhaven, die ook wel „haven van het Courzand” genoemd werd.

Oorspronkelijk liep tusschen de Oude Maas bij Carnisse noordwaarts tot in de tegenwoordige Nieuwe Maas bij de Hey recht tegenover Schiedam een breede rivierarm, later Koedood genoemd, die in den loop der eeuwen aanmerkelijk smaller werd.

Geleidelijk werden de beide oevers van dit water bedijkt, maar het onderhoud bleek zóó kostbaar, dat bij „accoord” van 6 Februari 1580 tusschen de belanghebbenden overeengekomen werd, dat de Koedood aan weerszijden zou worden toegekraagd en overdijkt.

Aangezien Charlois in 1895 bij Rotterdam was getrokken, liep de grens tusschen deze gemeente en Pernis sindsdien door de Heysche haven. In een overeenkomst werd bepaald, dat de grondeigenaren van Charlois een nieuwen vliet zouden maken van het laagste van den Koedood af tot recht tegenover den toren van Delfshaven met een sluis in den dijk.

Zoo ontstond de Robbenoordsche vliet, die nog tot in het begin der 20ste eeuw bestaan heeft. Over de verlegging van de sluis kwam op 20 Mei 1598 een „compromis” tot stand tusschen de grondheeren van Charlois en den Heer van Rhoon en Pendrecht met zijn ingelanden.

Buiten de afdamming vormde zich in de Maas een voor de uitwatering van den Koedood belemmerende groote plaat, het Courzand genoemd, die de landmeter Daniël Schellincx in 1623 op last van de Rekenkamer in kaart bracht. Deze kaart vertoont „de Ruyge Plate groot 31V2 mergen genaempt Courzandt” en de „Sluyse van de Koedoot”, terwijl de Heysche haven wordt aangeduid als „uytwateringe van de Koedoot.” Westwaarts hiervan zien we nog een „Sluys van de Hije” met de „uytwateringe van de Hij”, welke laatste ons voorkomt de gekanaliseerde kleine „Haven van de Hye” op de kaart van Coenraedt te zijn. Beide afwateringen vallen bij de Kille samen.

Deze belangrijke kaart evenals de navolgende bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief en behooren tot de collectie „Gewestelijke Polderkaarten.” Het Rotterdamsche archief bezit hiervan een copie.

Aan de origineele kaart van Schellincx zijn een tweetal akten aangehecht.

De eerste, gedateerd op 7 Juli 1632, vangt aldus aan: „Gesien bij die van de Rekening des GraerTeleycheyts van Hollandt de Requeste aen henluyden gepraesenteert bij ofte van wegen Huybert Pieterse cum suis, huyrluyden van seeckere plate genaempt het Coursant gelegen bij Robbenoort

Deze plaat worde niet verward met de Heyplaat, die tegenover de uitmonding van de Heysche haven midden in de rivier lag en in 1856 van Rijkswege door een rijzen dam met den oever van het buitenland boven den mond der Heysche haven verbonden werd.

We merken op, dat Courzand dus behalve Huybert Pieterse nog meer pachters telde. Het request, waarvan hier gesproken wordt, betrof een vergoeding, welke de pachters verzochten voor hunne „moeyten en oncosten aen de plaat.”

Dit verzoek werd van de hand gewezen.

De tweede akte van 14 September 1639 bevat het ongunstig advies van de Rekenkamer op het request van de pachters van Courzand en is geteekend door den rentmeester-generaal Cornelis van Beveren.

Een kaart van den landmeter Jan Jansen Stampioen van 1624 (n°. 1044) bedoelt oornamelijk, de uitgestrektheid weer te geven van de Charloische haven tot de Hij en den Harsdijk. De Heysche haven heet hier Koedootsche haven en op de plaat Courzand lezen wij:

„Deese westzijde van de plaet is groot 24 gemeet 30 roe.
Dit oosteinde van de plaet is groot 32 gemeet en 16 roeden,” terwijl boven de plaat geschreven staat:
„Dit reet op den Schiedamschen toren.”
In het Rijksarchief is in duplo aanwezig – een origineel en een copie – een kaart van Stampioen van 1638 (n°. 1046).
Zij draagt het opschrift: „Caerte ende meetynghe van de plate, ghenaemt het Coursant, ghelegen in de Mase, benoorden de haven van de Hij en de Koedoot, ghesepareert zijnde met een breede kille van de buytengorsynghe van de Hij en de Koedood, ghelijck’t hem met een ghemeen laech-water is verthoonende; deese plate, voor soo veel deselve bewassen is met gras, groente, riet, liesen en biesen, is groot in ’t geheel vier en vijftich mergen twee hondert zeeven-en ’t seventich roeden, Zuytt Hollandsche mate; is gemeten ende aldus ghecaerteert op den cleynen voetmaet, mitsgaders de hoofden, uytstecken ende schuttinghe als die tegenwoordich bevonden zijn.”

Uit deze kaart blijkt, dat in 1638 nog slechts een klein deel in het midden van Courzand in cultuur gebracht was, maar dat enkele perceelen binnen kort bekaad zouden worden. Het gors zou dan bestaan uit vier perceelen met een oppervlakte van ruim 21 morgen. Verder merken wij op, dat de Koedoodsche-of Heysche haven en de „haven van de Hey”, de beide afwateringen, die ook op de vorige kaart waargenomen zijn, bij de kil samenvallen.

Een vijfde kaart, op last van de Grafelijkheid geteekend door den landmeter Jacob Sperwer, „na de rechte conste der Geometrie” vervaardigd, dagteekent van 12 November 1642. Hierop is het aantal perceelen tot zes uitgebreid, de boomgaard is wat vergroot, de twee uitwateringen met de „sluys van de Hije” en de „sluys van de Koedoot” komen er op voor, terwijl de kille tusschen ’t Courzand en ’t Land van de Hije smaller geworden is.
Duidelijk zijn hierop aangegeven de „haven van de Koedood” en de „haven van de Hij”, parallel loopend naar de „kille tusschen het Coursant en ’t Lant van de Hij”.
Zij schijnt meer speciaal geteekend te zijn voor de visscherij, daar wij er niet minder dan acht „steecken” voor de „fuycken” op aantreffen.

Op een zevende kaart, van ’t jaar 1660, waarop de bewerker niet vermeld staat, merken wij op de „Koedootshaven door ’t Coursandt gegraven”, terwijl de kille zich nog als een smal water vertoont en de aanhechting van Courzand met de buitengorzen van Charlois en Pernis zoo goed als voltrokken is. Voor wat nu Heyschedijk heet, lezen wij zeedijk, terwijl de sluis aan de Hije of ’s Gravenambacht verdwenen is.
Verder ontdekken wij de „huysinge en ’t huis bij Aert Vermaet gebruyckt”, gelegen op het „kadijkgen” nabij de oosterkade van de Heysche haven, ongeveer op de plaats, waar zich thans Café Coursand bevindt.
Het huis van Aert Vermaet kan het heerenhuis zijn, want een primitieve afbeelding daarvan vermeldt de jaartallen 1650-1846 *), waaruit wij als zeer waarschijnlijk mogen opmaken, dat dit huis in 1650 gebouwd en in 1846 afgebroken werd.
Op den pachter Aert Vermaet komen wij later terug.

Ten slotte noemen we nog een kaart van ’t jaar 1665.
Deze is zeer waarschijnlijk geteekend door den landmeter Mantena, hetgeen o.i. bevestigd wordt door een aangehechte akte van 11 Januari 1675, onderteekend door Aegidius Groeninx, waarin gesproken wordt van een kaart door genoemden Mantena eenige jaren geleden geteekend, terwijl twee akten uit het protocol van den notaris Jacobus van Aller
Een fotografische reproductie is aanwezig op het Gemeente-archief.

Op deze kaart zijn de twee hoofden van de Heysche haven duidelijk zichtbaar.
Na den St. Elisabethsvloed waren de vroegere landeigenaars niet meer in staat om zich in hun oud bezit te handhaven,waarom de Grafelijkheid deze landen aan zich getrokken had.
Zoodra het verlandingsproces in het stadium gekomen was van rentabiliteit, werd de nieuwgewonnen grond, veelal na verkaveling, verpacht. Zoo werd in 1621 de plaat Courzand door den Rentmeester-Generaal der Grafelijkheid verpacht aan Hubrecht Cornelisz Visscher „om ses stuyver”; tien jaar later was, blijkens de aanteekeningen van Mr. Dirck van der Wolf, grondheer en schepen van Rotterdam *) „de plate al renderende ontrent 400 gulden jaerlijcx en nam jaerlijcx toe.”

Uit deze notities blijkt verder, dat in 1623, toen de landmeter Van der Schellingh het gors in kaart bracht, „het westeynde verre ’t minst begroeyt (was), dan begon de creeck ten westen door de plaet gaende te verlanden.”

Grijp van Valckesteyn en Canter het Courzand inspecteeren.
Hun bevindingen waren, dat de plaat „aen de oostzijde bequamelijck conde overgegeven werden” en men kwam overeen dat, „als men de plate aen de buytenlanden soude willen dammen, de Graeffelickheyt ofte de Reeckencamer d’een helft soude dragen”. Verder zou „opte limytscheydinge tusschen de plate ende der voorn, heeren buytengronden werden geordonneerd een pael te stellen in ’t midden van ’t canaal ofte creecke voor ’t scheyt van de gronteygenaers van Langebakkersoort ende Robbenoort ende te wederzijde in ’t midden van ’t begroeide”.

In het jaar 1643 werd Courzand door de Grafelijkheid verpacht aan Wasius van Haarlem, evenwel onder beding van bedijking.
Alvorens evenwel aan deze verplichting te voldoen, richtte deze pachter op 14 Maart 1643 ^ n belanghebbenden bij de uitwatering van den Koedood de waarschuwing om, zoo de waterloozing door Courzand moest gegraven worden, die doorgraving dan te doen uitvoeren vóór de omkading.

Dit had ten gevolge, dat op 11 Juni 1654 door de Grafelijkheid aan Dijkgraaf en Hoogdijkheemraden van Rhoon, Barendrecht en Charlois consent werd verleend, om door het Courzand een haven of uitwatering ter wijdte van drie roeden te graven, waarbij de dijk besturen de verplichting op zich namen de kaden te onderhouden en de sluizen en houten hoofden op hunne kosten te bouwen.

Op Wasius van Haarlem volgde in 1645 ak pachter van Courzand Aert Cornelisz Vermaet, die op 12 Februari 1608 te Poortugaal geboren was. Als „weduwnaar op de Plaet” doet hij op 21 Juli 1669 huwelijksaangifte, nu te Pernis, met Willemijntje Kempers, weduwe van Arij Capellenaer, wonende te Rotterdam. Uit de laatste huwelijksaangifte en het feit, dit zal Joost Grijp van Valckesteyn geweest zijn, heer van Sandelingenambacht, dijkgraaf van het gemeene land van Poortugaal en schout van Roosand. Hij bewoonde het slot Valckesteyn, waar hij in 1634 overleed.

Dat zijn naam in 1669 voorkomt op de lidmatenlijst van Pernis, mogen wij concludeeren, dat Courzand toen reeds kerkelijk onder Pernis behoorde.

Charlois en de Hey, ter gelegenheid van de afdamming van de Koedood in kaart gebracht door den landmeter Jacob Coenraedts 1579. Naar de origineele teekening in het Gemeente-archief.

Het Courzand in kaart gebracht door den landmeter Daniel Schillinc, 1623. kopie in het gemeente archief

bedijkt is als dat nogh onbedijkt is, mette aanwassen van dien, als mede het gebouw ende plantagien daer op staende, streckende ’t voors. gors ende belent wesende in ’t oosten tegens den aanwasch van de grontheeren van Charlois, in ’t suyden deselve grontheeren tot de Koedootsche haven toe ende van de voors. haven de ambaghtsheeren van Langebackersoort ende Eyfelsbroek mede in ’t zuyden als ook in ’t westen dezelve ambagtsheeren tot de haven van Pernisse ofte soo veel voorbij de haven als de GraefTelijckheit soude mogen competeren en de in ’t Noorden de Nieuwe mase” en dat tegen een jaarlijksche canon van 200 pond.

Tot de condition van deze erfpacht behoorde het onderhoud van de twee schenkelkaden „beoosten ende bewesten de haven van de Hyde ofte het Coursant voorz. streckende van den Robbenoortschen zeedijck ter Masewaert, van gelijcken mede het gedeelte van de oostcade, streckende van het hecke, staende op het Coursant zuydwaerts op tot den voorz. Robbenoortschen zeedij ck” *).

Het onderhoud van de haven benevens dat van het oosteren westerhoofd kwam aan de respectieve ingelanden van Rhoon, Barendrecht, Charlois, Pendrecht en Kiessaten. Verder had de Heer Groeninx het recht, om in de Maas voor Courzand fuiken en netten uit te zetten om witvisch te vangen, evenwel „zonder eenige salm, steur, elfte ofte andere vroonvisch te mogen vangen.”

Uit het archief van de Grondheerlijkheid van Charlois blijkt, hoe vaak er „differenten” voorkwamen tusschen den erfpachter van Courzand en dijkgraven en hoogheemraden van Rhoon, Pendrecht, Charlois en de Kiessaten of het Gemeentebestuur van Schiedam of ook tusschen de Grafelijkheid en de dijkbesturen. Vooral liepen deze kwesties over het onderhoud van dijken, kaden, haven- en waterwerken, maar ook wel over zaken van meer particulieren aard. Zoo was het op 29 Mei 1684 2), dat burgemeesteren van Schiedam in hun vergadering bespraken, dat „Heer Gilles Groeninghs de passagie van den wegh aen de Hydsche haven hadde gesloten door een houten heiningh ende het planten van willigen

Tot goed begrip hiervan moet men weten, dat niet alleen Rhoon, Charlois, Pernis, Pendrecht en ’s Gravenambacht, maar vooral ook Schiedam er belang bij had, dat de passage naar het veer van de Hey niet belemmerd werd, daar deze stad door dit veer een belangrijk verkeer onderhield met de Overmaasche dorpen en gehuchten.

In het Resolutieboek van Burgemeesteren van Schiedam lezen wij nog op 8 October 1696 betreffende het geschil met Gillis Groeninx: Is naer voorgaende deliberatie goet gevonden ende verstaen de Heeren gedeputeerden ter daghvaert te versoucken en de te gelasten den Heer grave van Portlandt wegens dese regeeringh te begroeten ende sijn Ex. openingh te doen van de jegenwoordige weder op nieuw geresendifferentenmetden erfpachter van ’t Coursant ende graeffelijckheits reekenkamer wegens het overpath ter wedersijde van de haven van de Hij de loopende door het voorz. Coursant, sijn Excellentie te remonsteeren het groot interest deselve daer in is hebbende soo ten opsichte van sijn veer van Roon op Beyerlandt de Noort ende als generalij ck alle des self s opgesetenen van Roon voorz. ten opsichte van de hinderingh ende difficulteit daar door te veroorsaken om hare coorn en andre waren tot Rotterdam, Schiedam ende generalijk alle plaetsen aen dese sijde van de Mase te marct te brengen ofte oock hare behouften weder van daer te komen halen, ervolgens van sijn Excellentie te vernemen off deselve genegen is nevens dese regeeringh het recht tot het voorz. overpadt te sustineeren ende in cas van ja, met deselve te overleggen hoe ende in wat wij se daer in best ende opt krachtigste geprocedeert behoort te werden.”

Inmiddels was Aegidius Groeninx op 14 September 1689 overleden. Zijn dochter Maria huwde op 31 October 1694 met Jeronimus van den Honert. Na een geschil tusschen dijkgraven en heemraden van Rhoon, Pendrecht, Charlois en Kiessaten ter eenre en Jeronimus van den Honert en zijn zwager Mr. Cornelis Groeninx ter anderer zijde over het onderhoud der beide hoofden van de Heysche haven werd 15 October 1704 overeengekomen, dat Jeronimus van den Honert en Mr. Cornelis Groeninx de beide hoofden „tot hare vorige lengte te Masewaert” zouden brengen en dijkgraven en heemraden een som van vijf en veertig Caroli gulden zouden contribueeren ter bestrijding van de kosten van arbeidsloon, palen, rijs werk en het halen van aarde.

Uit dit contract meenen wij te mogen concludeeren, dat toen ter tijd Maria Groeninx en haar broeder Cornelis beide erfpachters waren, terwijl Jeronimus van den Honert met zijn onderteekening zijn vrouw als zoodanig vertegenwoordigde. Wij voegen hier nog aan toe, dat meergenoemd contract, behalve door de polderbesturen van Rhoon, Charlois en Pendrecht ook was geteekend door M. Kouwenhoven, Willem de Raad, J. v. d. Honert en Cornelis Groeninx namens de Kiessaten.

Jeronimus van den Honert overleed 16 Mei 1710, zijn huisvrouw Maria Groeninx volgde hem op.Uit het groote gezin dezer echtelieden volgde de jongste zoon Mr. Johannes van den Honert, raad, vroedschap en burgemeester van Rotterdam als erfpachter van Courzand op. Mr. Johannes van den Honert, die 29 October 1704 te Rotterdam geboren was, huwde 2 April 1748 zijn nicht Anna van den Honert, die na het overlijden van haar echtgenoot op 21 Augustus 1768 alleen bezitster van Courzand werd.

Op 4 Augustus 1786 benoemde zij voor den Rotterdamschen notaris Justus van der Mey tot haar eenige en algemeene erfgenamen haar drie kinderen en verklaarde zij verder, dat het haar wil en begeerte was, dat haar oudste zoon Johannes of bij zijn vooroverlij den haar dochter, vrouwe Aegidia Lambertina Theodora en als die mede overleden was haar jongste zoon Cornelis Adriaan de keus zou hebben om zich haar buitenplaats Courzand „met alle desselfs aanhoorigeen bijleggende tuinen, houtlanden of akkers mitsgaders rietvelden, zoo in eigendom als in erfpacht of hure bezeten wordende, alles gelegen in den ambachte van Charlois, met alle de tuincieraden en gereedschappen, alsmede paerd, wagens, schuiten, vischwandt bij scheidinge van haren boedel te laten aanbedeelen voor een somme van dertig duizend guldens.”

Anna van den Honert overleed op 20 April 1789 en 1 December d.a.v. aanvaardde haar zoon Johannes van den Honert (geboren 11 Augustus 1755) als eerste pretendent het landgoed Courzand. Het wordt in de boedelscheiding omschreven als „een buitenplaats zijnde een gors, geheten de Heyde ofte Courzand, leggende in de Maze, recht tegenover de stad Schiedam, waervan de eerste gift of erfpachtsbrief in dato den 2 5 en September 1673 is sprekende ten behoeve van den Heer Aegidius Groeninx, belend in ’t oosten tegen een aanwasch van de Grondheeren van Charlois, in ’t zuiden dezelve Grondheeren tot de Koedoodsche haven toe, ende van de voorz. haven de Grondheeren van Pernis, mede in ’t zuiden als ook in ’t westen dezelve en de ingelanden van Eyffelbroek tot bij de haven van Pernisse ofte zooveel voorbij de haven als de GraefFelijkheit zoude mogen competeren ende in ’t noorden de Nieuwe Maze.”

Johan van den Honert was gehuwd met Adriana Cornelia Baartmans. Hij overleed 8 Januari 1802, zijn huisvrouw, die Courzand geërfd had, 19 Juni 1844. Daar dit huwelijk kinderloos was, besloten de erven van Adriana Cornelia Baartmans het landgoed te verkoopen. Ook het huwelijk van Aegidia Lamberta Theodora van den Honert en Mr. Pieter Juynboll was kinderloos, zij overleed 23 April 1814, terwijl haar broeder Cornelis Adriaan kinderloos stierf op 10 November 1823.

Daarom bevatte de Rotterdamsche Courant van 21 September 1844 N°. 114 de volgende advertentie:
Openbare Vrijwillige Ver kooping
De notarissen Abram van Rijckevorsel W.zoon en Anthony Gijsberti Hodenpijl, beide residerende te Rotterdam, als last hebbende van derzelver principaal, zijn van meening op Woensdag den 16 October 1844 des namiddags ten 3 ure in het Notarishuis te Rotterdam te veilen en aan den hoogstbiedende of eerstmijnende te verkoopen:
„Het kapitale en uitgestrekte landgoed, genaamd Courzand, gelegen onder de gemeenten Charlois en Pernis, aan de rivier de Maas tegenover de stad Schiedam, voorzien van een hecht, sterk, logeabel Heerenhuis, Stal, Arbeiderswoningen, Buitenplaats met Vijver, Moestuinen, Boomgaard en bestaande wijders uit Grient-Bouw-Wei-en Rietlanden. Belast met een erfpacht ten behoeve van de Domeinen, groot/2oo.-inhet jaar.”

Op 4 October 1844 hadden dijkgraaf en hoogheemraden van de Grondheerlijkheid Charlois een missive met bijgaande Memorie aan de gemeente Rotterdam aangeboden, waarin de aandacht gevestigd werd op het Courzand, dat op den 16den dezer zou worden geveild als een „niet onbelangrijke possessie der stad”. Ofschoon een machtiging tot aankoop van het landgoed van den minister van Binnenlandsche Zaken reeds was ingekomen en de Raad den prijs op ƒ 44.300,- had bepaald, moest deze later weder op last van Gedeputeerde Staten ingetrokken worden.

Eerst in de raadszitting van 9 Juli 1891 wordt medegedeeld, dat de Gemeente in openbare veiling den polder Courzand gelegen onder Charlois en Pernis ter gezamenlijke grootte van 68 H.A. 33 A. en 61 c.A. heeft aangekocht voor de som van ƒ 123.427.-.

De laatste bewoner van de boerderij Courzand was Floor Groeneveld, in Pernis bekend als „de boer van Courzand.”

Tot in de tweede helft der 19de eeuw waterde de Koedoodboezem door de Barendrechtsche en de Heysche sluizen op de Nieuwe Maas af, terwijl het water uit de polders door molens op den boezem werd gebracht. Meer en meer rijpte echter het denkbeeld om door het bouwen van een stoomgemaal de afwatering niet meer afhankelijk te doen zijn van de bui ten-waterstanden en zoo kwam men er toe, om een stoomgemaal voor gemeenschappelijke rekening te stichten aan de Heysche sluis.

Daartoe werd op 5 Maart 1870 te Rhoon in de herberg „Het Wapen van Rhoon”, het oude „Huis te Pendrecht”, een buitengewone vergadering van ingelanden der belanghebbende polders, n.l. de Kiesheit, Robbenoord en Plompert met de Stee van Pendrecht en het Binnenland van Barendrecht belegd, waarop tot stichting van een stoomgemaal besloten werd. Bij notarieele akte van 12 April 1870 werd nu een gemeenschappelijke regeling der gemeenschappelijke uitwateringsbelangen getroffen tusschen de betrokken polderbesturen, waarbij alle vroegere regelingen en contracten vervielen en de kosten van aanleg, onderhoud en exploitatie van het stoomgemaal met alle daartoe behoorende werken evenals die van het onderhoud van de Heysche sluis, de Noord-Koedood, de Barendrechtsche sluis, en de buitenhavens vóór de beide sluizen zouden worden gedragen door de polders de Kiesheid,

Robbenoord en Plompert, het Binnenland van Rhoon, het Buitenland van Rhoon en Nieuw Pendrecht met de Stee van Pendrecht te zamen voor drie vierdedeelen, en wel door ieder dier polders in verhouding hunner grootte en door den polder het Binnenland van Barendrecht voor het overige vierdedeel.

Deze overeenkomst, bij besluit van 10 October 1870 N°. 54, door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, werd eerst in de herfstvergadering van het jaar 1878 bij de Staten aanhangig gemaakt en bij besluit van 14 November 1878 N®. XXVIII vastgesteld, terwijl het reglement werd goedgekeurd bij K.B. van 12 September 1879 N°. 28.

Zoo ontstond het Waterschap de Koedood.

De kosten van het stoomgemaal, dat in 1871 voltooid was, bedroegen f 59.990,- en werden door de belanghebbende polders gedragen. Het gemaal werd naar den dijkgraaf van den Koedood Jan Barendregt Czn. gedoopt en bestond uit een scheprad, dat gedreven werd door een stoomgemaal van 54 P.K.

Bij den ombouw ter versterking van het stoomschepradgemaal in een electrisch gedreven centrifugaal pompgemaal in 1914, onderging de Heysche sluis weer een wijziging, waarbij het oude stel binnendeuren werd opgeruimd en het binnenfront afgesloten door een keermuur ter dikte van 1.10 M., waarin de uitmondingen van de twee afvoerbuizen der centrifugaalpompen en van de inlaatbuis voor den boezem werden ingemetseld.

Vóór enkele jaren moest ook dit gemaal vervallen, toen de Heysche haven niet meer de capaciteit bezat voor voldoende uitwatering en werd een nieuw modern ingericht electrisch gemaal aan de Waalhaven z.z. gebouwd, nabij het café Walensteyn, dat door middel van persbuizen van 1 M. middellijn het water uit den Koedood in de Waalhaven loost.

Buiten de Heysche sluis liep de Koedood als voorhaven onder den naam van Heysche haven met een lengte van 1230 M. tusschen de deels tot berghavens vervormde buitenpolders van Pernis en de handels terreinen langs de Waalhaven tot de Nieuwe Maas tegenover Schiedam.

Diende de Heysche haven oorspronkelijk slechts tot vrije uitwatering en na den bouw van het stoomgemaal tot kunstmatige, zij was al heel vroeg, evenals de Pernissche haven ook ligplaats voor kleine en grootere vaartuigen.

Wij vinden in het archief van de Grondheeren van Charlois nog een ongedateerd, maar oud concept eener keur, welke destijds noodig gebleken was opdat de vele schuiten in de Heijsche haven de spuiing door de sluis niet zouden verhinderen; ze lagen n.l. dicht voor de sluis en besloegen de geheele haven, waardoor niet alleen de sluis in haar uitwatering werd belemmerd, maar ook het passeeren der schuiten door de sluis bemoeilijkt.

Ook de veerschuit op Schiedam vond in de Heysche haven haar ligplaats, evenals roei- en zeilbooten en de vele schouwen der boutschieters, die daarmede hun jachtbedrijf op de breede Hollandsche stroomen uitoefenden, maar meerendeels op den Heyschen dijk woonden. Gedurende eenige eeuwen was het verkeer tusschen linker- en rechter Maasoever gedeeltelijk aangewezen op het veer van de Hey op Schiedam.

Van de Heysche haven als ligplaats van grootere vaartuigen gewaagt de volgende advertentie uit de Rotterdamsche Courant van 2 Augustus 1796: Uit de hand te koop een extra welbezeilde visschuit lang in de 40 voeten met of zonder tuigasie en vischwant, liggende in de haven van de Hey; iemand in dezelve gading hebbende adresseere zich ter nader onderricht bij den boekhouder Hendrik van Dam, wonende te Pernis.

Nog niet lang geleden herbergde de Heysche haven nog een negental schouwen van ongeveer 16 voeten lengte ten behoeve der boutschieters, die met deze schuiten, nadat de Staat in het laatst van Juli de vergunning daartoe verleend had, hun bedrijf uitoefenden. Vergezeld van een jachthond en eenige lokeenden, met zijn geweer gewapend, trok de boutschieter er voor één of twee weken op uit om in de Brielsche Maas, het Haringvliet of de Moerdijk zijn avontuurlijk weispel uit te oefenen.

Zeker was dit niet zonder gevaar, als de kleine schouwen in ’t riet verscholen of in open water door storm of onweer overvallen werden; vaak werden de ganzen, sminten, pijlstaarten en snippen dan ook duur gekocht. Waren de lokeenden uitgezet en had de jachthond het wild opgespoord, dan volgde een stil afwachten tot het wild zich bij de lokeenden voegde, plotseling knalde daarop van uit het riet een schot en de hond haalde in snelle vaart het geschoten dier. Een enkele maal, zoo verhaalde ons een der boutschieters, streek wel eens een arend te midden van de lokeenden neer en dan was het de kunst om deze zoo te treffen, dat de jager hem levend in handen kreeg.

Dat kon een buitenkansje opleveren, als men weet, dat deze koning der vogels wel 25 gulden opbracht, doch ’t gebeurde ook, daar het vangen van dezen door de regeering beschermden vogel verboden was, dat een bekeuring volgde met een boete van 30 gulden. Vóór den jachttijd voer men uit om met aalreepen aal of paling te vangen. De schuiten, welke daarvoor gebruikt werden, boden plaats aan drie personen. Behalve de genoemde schuiten lagen in de Heysche haven ook nog aken voor het vervoer van aardappelen naar Schiedam, met welke stad door de nabijgelegen dorpen een vrij levendige handel gedreven werd.

terug naar alle havens? klik hier

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

error: Content is protected !!