Schooieren op Heijplaat en Pier 7

 In  1954 begon het jaar spannend eind januari. Een jaar nà de Watersnoodramp stond het water in de havens rondom ons dorp weer heel hoog. Zo hoog dat de buurtschappen De Heij en het Waterschip dreigden onder te lopen. De huizen daar moesten gaan verdwijnen voor de aanleg van de Eemhavens, maar de meeste bewoners waren er nog. En ze woonden meters onder N.A.P. Gelukkig was er nu geen storm van orkaankracht, maar het waaide wel stevig. Woensdagmiddag 3 februari waren wij met tientallen jongens en volwassenen bij de Heijschedijk bezig zandzakken te  vullen en op de dijk te leggen om te voorkomen dat het water er overheen zou spoelen. Shovels van Cornelis Swarttouw reden af en aan om zand aan te voeren. Om een uur of vier was het grootste gevaar geweken en werden wij in de kantine van het havenbedrijf onthaald op limonade en gevulde koek. We voelden ons vooral trots dat we  ‘een ramp hadden voorkomen.’

De Heij was niet ondergelopen ! Verderop in het jaar hadden we onverwacht een ochtend vrij van school. Wat te doen ? Met Nico Jongebreur, Henk Barth, Tijmen Ketting, Go de Jager, Huib Nederlof, Nico Kroon en nog een stel stonden we voor school te overleggen. We besloten: we gaan voetballen op het veld van de speeltuin. Maar ’s morgens was die gesloten. Geen nood. Aan de achterkant wisten we een gat in het hek, waar we doorheen kropen om overgeschoten ballen op te halen. Als er te hard geschoten werd verdween de bal zelfs in de haven die er pal achter lag. We  ‘pootten’, wie bij wie, en al snel waren we leuk aan ‘t spelen. Ineens riep één van ons: ‘Wat doen al die kerels daar ?’ Daar liep een twintigtal mannen, in ketelpakken en met groezelige gezichten langs de haven, achter ons veld. Ze keken erg dreigend. Een echt doel bleken ze niet te hebben, want een van hen zag het gat in het hek en de een na de ander kroop er doorheen en kwam naar ons groepje toe. Wij, twaalfjarigen, staarden hen aan. ‘Wij staken,’ zei een groezelig hoofd. ‘Die rotzakken willen ons geen opslag geven en nou verdommen wij het.’ ‘Zijn jullie van de RDM ?’ vroeg Henk. ‘Nee, van  dat kolere kolenbedrijf daar!’ en de man wees met zijn vinger. ‘Motten jullie niet op school zijn ?’ ‘Nee, wij hebben vrij vanmorgen.’ ‘Nou, wij òòk. Het eerste uur gaan wij niet terug. Motte we een potje tegen jullie trappe ?’ Dat leek ons wel wat. Ze deden niet allemaal mee, maar wij liepen ineens tegen volwassen kerels te rennen. Het ging ontzettend leuk. Zij in die stijve ketelpakken en die grote werkschoenen, wij op schoenen en kaplaarzen. Wie er won, weet ik niet meer, wel dat die kerels  na ruim een uur voetballen opgewekter naar hun bedrijf terug liepen. Vastbesloten om hun eisen ingewilligd te zien. Op ongeveer dezelfde plek als het gat in het hek, lag een meter of 15 verderop de kont van een schip uit Bombay. Aangemeerd, en met een bemanning waarvan de meeste lui een tulband op hadden.             ’s Avonds hingen ze vaak verveeld over de reling en zwaaiden naar ons in de speeltuin. Natuurlijk kropen er kinderen door het gat en met handen en voetenwerk werd contact gemaakt met die tulbanden. Op zeker ogenblik wierpen ze ons een kokosnoot toe. Het ding stuiterde en werd met veel gejoel en gejuich ontvangen.  Dat leidde er toe dat er nog veel meer gegooid werden. Tot het mis ging ! Een meisje lette even niet op en zo’n keiharde noot raakte haar vol in het gezicht. Veel gegil. Een wang en een oog die onmiddellijk geweldig dik werden. De lol was er gelijk af. Nog wekenlang zat het kind bij ons in de klas met pleisters op haar blauw-groene wang. Waar ze vandaan kwamen ? Geen idee. Maar opeens waren ze er ! Fladderende bloemen, royaal met de rokken zwaaiend. Flirtend met de zeelui die aan wal kwamen. Achter de speeltuin gingen ze in het gras zitten, zo’n stuk of tien vrouwen, in gezelschap van ongeveer evenveel mannen.

Wij, als jongens vonden dat machtig interessant. Spelen en voetballen was gelijk vergeten! Met ons groepje gingen we een meter of tien verderop zitten en keken geïnteresseerd toe wat er allemaal gebeurde. De wat oudere jongens fluisterden ons toe dat het hoertjes waren, die voor de zeelui kwamen. Wat een hoertje was, wist ik niet, maar ik vond wel dat ze er mooi uitzagen in hun jurken en rokken, mooi opgemaakt. En als ze gingen staan, wiebelden ze in het gras op hun hoge hakken. Aan het bezoek van deze dames kwam ook weer net zo snel een eind. Verontruste Heijplaters trokken ergens aan een bel. De RDM had toen heel veel invloed en de scheepswerf wilde niet dat ons dorp een tweede Katendrecht zou worden. Dus toen de dames in de dagen daarop weer naar ons dorp kwamen werd hun duidelijk gemaakt dat er voor hen hier geen plaats was. Door wie dat gebeurde ? Ik zou het niet weten, maar ze bleven wel ineens weg. In mei gingen Go en ik op een mooie dag naar Pier 7. Strandje, wilgenstruikjes soms tot bijna aan de vloedlijn, een leeg middenstuk. Een ideaal speelterrein. Als je over het strandje liep rook je de haven, de teer- en olielucht. Het rustige geklots verdween alleen als er ergens een schip passeerde en golfslag veroorzaakte.

Op het strandje lieten Go en ik ons in het warme zand zakken en keken  naar een haveloos schip dat tussen Pier 7 en 8 aan enkele boeien vastgemeerd lag. Het lag er al maanden, het lag  ‘aan de ketting’. De rederij betaalde de havengelden en de gages van de bemanningsleden niet en dus mocht het schip de haven niet verlaten. ‘Wat een bak roest, hè, die  ‘Andros Lady’. ‘Zeker,’beaamde ik. Aan boord zagen we af en toe een eenzaam figuurtje dat bij de trap die buitenboord hing naar ons stond te turen. ‘Wat een rotbaan. Als wachtsman op dat schip te moeten blijven.’ Opeens hoorden we geluid achter ons. Een pokdalige kerel en een vrouw, die haar schoenen met hoge hakken had uitgedaan, strompelden door het zand naar ons toe. Zwijgend gingen ze naast ons zitten. Na een paar minuten vroeg  de vrouw, die felrode lippen had en bepaald niet gekleed was om op het strandje van Pier 7 te gaan liggen  of we hier wel meer kwamen. Wij knikten. En of we wisten hoe je daar aan boord moest komen. We haalden onze schouders op. Onderaan de trap dobberde wel een klein  bootje, maar van het strand naar het schip ………we zouden het niet weten. ‘Ach, laat die snotapen maar. Die zitten alleen naar jou te staren, ’gromde de man, met een zwaar doorrookte stem. Zonder dat iemand er erg in had gehad was het sloepje bij de ‘Andros Lady’ naar het strandje geroeid. ‘Hé, kijk eens daar is je vervoer,’ zei de man. De vrouw hees zich overeind en met haar schoenen in de hand stapte ze aan boord, op weg naar de roestbak midden in de haven. De lelijke kerel ging ook staan, grijnsde naar ons en verdween weer tussen de wilgenstruikjes. Wijzend op het  roeibootje keken wij elkaar grinnikend aan. We hadden wel wat geleerd sinds de dames achter de speeltuin, een paar maanden eerder, met de zeelui aan het rollebollen waren.   ‘Nou, je mag drie maal raden wat die gaan doen……………..’ Go en ik sloegen elkaar op de schouder en gingen lachend terug naar huis.

Arie van der Stoep

Schiermonnikoog

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

error: Content is protected !!